Recensie Pinda van BonteHond

gepubliceerd in: 
theaterkrant.nl
gepubliceerd op: 
22/09/2014

Daar sta je dan, achter de tafels vol champagneglazen, keurig in kostuum: te wachten tot de receptie begint en het gezelschap arriveert. Wie zou zich niet vervelen? Dan is een beetje lol maken met elkaar geen gek idee. Een beetje dollen, een beetje plagen, een treiterijtje hier en daar, maakt niet uit joh. Als iedereen maar gewoon ‘gezellig meedoet’.
René Geerlings maakte enkele seizoenen geleden de veel bejubelde festivalvoorstelling Yvon. Pinda is daarvan een remake voor de kleine zaal. Manon Nieuweboer en Lisa Groothof spelen twee vriendinnen. Met gemaakte glimlach en groot opgezette ogen spannen ze samen. Als hun mannelijke collega, Milan Boele van Hensbroek, aangeeft het nadoen en gegein niet zo leuk te vinden, moet hij niet ‘kinderachtig’ doen. Hij ondergaat het allemaal gelaten, doet wat ze vragen, het huilen nader dan het lachen. Van Hensbroek speelt het ontroerend, het sulletje dat zichtbaar lijdt maar zich uit lijfsbehoud voegt naar de flauwigheden van het valse damesduo. Als er een nieuwe Aziatische collega arriveert, loopt de boel uit de hand. Jung Sun den Hollander staat en zwijgt; negeert de steeds extremer wordende gemenigheden.
Geerlings doceert het onuitstaanbare jennen uitstekend. En Nieuweboer en Groothof verstaan de kunst om met een smerig gevoel voor humor twee kinderachtige bitches te vertolken. Waar je in het begin nog overtuigd zat mee te lachen met het tweetal, hou je aan het eind je lach geschokt in. Want geestig blijft het tot het eind, maar daarom lachen is dan allang niet kies meer.
Het ‘geweten’ wordt in deze voorstelling aangesproken door het personage van Van Hensbroek, dat voortdurend heen en weer pingpongt tussen opportunistisch meedoen met de dames en het oprecht in bescherming nemen van zijn nieuwe collega. Hij brengt een pijnlijke nuance aan in zijn spel, iets waarin Nieweboer en Groothof jammer genoeg niet slagen. Zij zijn steengoed in hilariteit, maar op de momenten van hun eigen emotionele uitbarstingen weten ze niet te overtuigen. Want het vreemde gedrag van de nieuwe collega verstoort de relatie van de twee vriendinnen danig. Onder al dat gejen gaat onzekerheid schuil, hoe kan het ook anders. Maar Groothofs hysterische uitbarsting over ‘dat ze meer in haar mars heeft en heel normaal is’ en Nieuwboers jankpartij over dat zij echt heel gevoelig is, zijn eerder kolderiek dan tragisch. Daardoor blijft het geheel uiteindelijk toch karikaturaal, wat de triomf van Den Hollanders personage aan het slot niet de nodige ontlading meegeeft.