Interview met Liesbeth Coltof

gepubliceerd in: 
www.toneelmakerij.nl
gepubliceerd op: 
06/10/2018

‘Ik kijk al tweeënveertig jaar naar mensen, zo’n zeven maanden per jaar, 5 à 6 uur per dag. Mijn vak ís kijken.’

Liesbeth Coltof (64) neemt dit seizoen afscheid als artistiek leider van de Toneelmakerij. Dat doet ze met de regie van De Krijtkring, een grote muziektheatervoorstelling gebaseerd op Bertolt Brechts Kaukasische krijtkring.

Waarom De Krijtkring?
Ik ben van de inhoud. En ik vind het fijn als een jong iemand, of een kind, het middelpunt
van een verhaal is. Door te kijken via de ogen van iemand die niet in power is, ga je dingen anders zien. Bijvoorbeeld machtsstructuren. In onze maatschappij is het kapitaal in handen van een kleine groep mensen, de verschillen tussen arm en rijk worden steeds groter en de middenklasse verdwijnt. Dat maakt een samenleving kwetsbaar: men is bezig met kapitaal vergaren, niet met kijken wie de ander nou eigenlijk is. Terwijl mensen er helemaal niet
tegen kunnen om niet gezien te worden. Ik heb een, misschien naïef, vertrouwen in de mensheid. Volgens mij is een mens diep van binnen geen graaier die uit is op zijn eigen belang, maar een eerlijk wezen dat geïnteresseerd is in een ander. In die zin ben ik een moralist, ik geloof dat als we meer voor elkaar opkomen in de samenleving, we als mens beter onszelf kunnen zijn.
Hierover gaat De Krijtkring: er is oorlog uitgebroken. Het hoofdpersonage, Groesje, slaat op de vlucht, net zoals vele anderen – haar verloofde moet vechten in de oorlog. Groesje is jong, eigenlijk is ze nog een meisje. En dan vindt ze een kind, een levensgevaarlijk kind, want het is het kind van de verjaagde machthebbers, een kind dat de soldaten willen doden. Iedereen loopt door en Groesje zou ook door willen kunnen lopen, maar iets in haar zegt: ‘Hoe kan ik ooit van iemand houden, als ik nu dit kind niet red?’ Dat vind ik een prachtige waarheid die goed bij mij past en bij de humanistische koers die ik met de Toneelmakerij heb willen varen.

Wat bedoel je met ‘een humanistische koers’?
Een van de dingen waar ik goed in ben, is publiek ontroeren en laten meeleven met innerlijke worstelingen van personages. Het is heel ingewikkeld om mens te zijn. Wat je voelt is bijvoorbeeld vaak helemaal niet duidelijk, daarover ben je voortdurend met jezelf in onderhandeling. En wat je moet doen in een complexe, diverse samenleving, is ook vaak helemaal niet duidelijk. Ieder mens lijdt onder zijn eigen eenzaamheid. Wij zijn allemaal, los van elkaar, een gesloten systeem in onszelf. En we willen dolgraag uit die eenzame geslotenheid breken. We willen delen wie we zijn. Met anderen. Want we zijn wezens die zichzelf grotendeels, maar niet helemaal begrijpen. In ons contact met anderen kunnen we ontsnappen aan dat eenzame, in onszelf opgesloten onbegrip. Gelukkig lukt het vaak om uit onszelf te ontsnappen, maar het lukt niet altijd, en nooit definitief.

Hoe lukt het jou?
Via mijn werk. Kunst is mijn redding geweest. Ik groeide op in een wereld waarin ik niet wilde zijn. Om daaraan te ontsnappen had ik op mijn zesde een eigen toneelgroepje in de garage. Daar kon ik míjn werkelijkheid creëren. En een beetje de baas zijn.
Toen ik vijf jaar oud was, stierf mijn moeder plotseling. In die tijd werd er nog nauwelijks met kinderen gesproken. Dus mijn moeder kwam op een dag niet meer thuis en dat was dat. Mijn vader werd depressief en was weinig thuis. Ik zorgde vanaf dat moment voor mijn jongste broertje en het huishouden. Toen ik een jaar of acht was kwam er een stiefmoeder en moest ik weer kind worden. Dat ging niet. Mijn moeder en mijn jeugd zijn op mijn vijfde gestorven. Ik vond volwassenen dom, met zichzelf bezig. Nu denk ik dat volwassenen ook inderdaad dom zijn. Ikzelf ook. Het is namelijk heel moeilijk om niet dom te worden. Wij mensen zijn kortzichtig en echt niet dapper, we lopen achter opwekkende, aantrekkelijke mensen en ideeën aan die niet altijd goed voor ons zijn. Als kind vertrouwde ik volwassenen daarom voor geen cent.
Dat veranderde toen ik dertien was en op de middelbare school in Bussum onder leiding van Pieter van Empelen een productie maakte over de dood. Wij mochten zelf bepalen wat we wilden vertellen en ik maakte met twee vriendinnen en een vriend een ontzettend existentialistische presentatie. We droegen zwarte kleding en speelden niet op een podium, maar op allerlei plekken in het schoolgebouw. Die presentatie was een soort litanie van stukjes tekst over dood, zelfmoord, ouders en hoe moeilijk het leven eigenlijk is. Als je in het gewone leven over dat soort onderwerpen begon, zeiden de volwassenen: hou eens op, doe niet zo gek. Tijdens die presentatie mochten we daar eindelijk wel iets over zeggen en al die volwassenen luisterden. Aan het eind gingen ze zelfs klappen. Ze spraken erover. Met elkaar en met ons. En ik dacht: dit is het tovermiddel. Dit is de uitweg tussen zelfvernietiging en een vervelend kind worden. Ik vond mijn ‘taal’ om iets kwijt te kunnen over wat er in mijn eigen opgesloten zelf leefde en die taal was het theater.

Inhoudelijk theater, zei je aan het begin van dit gesprek. Wat maakt inhoud zo belangrijk?
In de loop der jaren heb ik best weleens gedacht: waarom maak je niet iets leuks? Gewoon, iets dat prikkelend is om naar te kijken en klaar. Dat heb ik ook weleens geprobeerd, maar zowel met het resultaat als met het maakproces was ik dan ontevreden. Ik werk het best als er een stevige inhoud is. Het heeft ermee te maken dat voorstellingen die vooral grappig en amusant zijn, ook vaak relativerend zijn. Dat relativerende sluit aan bij het moderne idee dat er geen waarheid bestaat en iedereen zijn eigen waarheid heeft. Dat is in zekere zin natuurlijk ook waar, maar tegelijkertijd bestaan er weldegelijk waarheden. ‘Je doet kinderen geen kwaad’, is bijvoorbeeld zo’n waarheid. Ik vind dat een verdomd goede waarheid.

Je maakt De Krijtkring samen met Frédérique Spigt, die de muziek componeert en de liedteksten schrijft, en samen met Roel Adam, die Brechts tekst vertaalt. Wat maakt de samenwerking met hen zo waardevol dat je met hen deze afscheidsvoorstelling maakt?
Naast het woord hou ik van muziek. Ik heb altijd met andere disciplines gewerkt omdat ik het belangrijk vind dat het woord gespiegeld wordt. Dat creëert gelaagdheid, een tegenkleur, een complexiteit misschien die ik vind passen bij de mens. Frédérique en ik hebben elkaar onder bijzondere omstandigheden leren kennen. Via Maarten van Roozendaal. Maarten zou de muziek maken bij Ontspoord, maar hij overleed nog voor de eerste try-outs. Frédérique, net als ik bevriend met Maarten, speelde mee in die voorstelling. Na zijn dood nam zij zijn rol op zich: zij maakte Maartens muziek af. Dat heeft ze vol liefde en overgave gedaan. Zij is een geweldig kunstenaar. We vonden elkaar in de rouw om onze vriend en het maakproces van die voorstelling. Dus ik wilde mijn laatste voorstelling hier bij de Toneelmakerij met haar samen maken. Ik heb haar de opdracht gegeven om zestien nieuwe nummers te maken voor De Krijtkring.
En Roel ken ik vanaf mijn achttiende, we zaten samen op de Toneelacademie. Sindsdien hebben wij een artistiek verbond. Hij houdt mij scherp. Op allerlei manieren. Hij is bijvoorbeeld gevoelig voor ijdelheid. Dat is fijn, want als artistiek leider heb ik natuurlijk macht en die moet niet gecorrumpeerd worden door ijdelheid. Als dat dreigt te gebeuren fluit hij me terug. En inhoudelijk is hij de meest erudiete persoon die ik ken. Over alle onderwerpen die in onze voorstellingen aan de orde komen, heeft hij boeken in de kast staan. Van houtsnijwerk tot politiek. Vergeleken bij Roel ben ik kwikzilverig. Ik heb een snelle geest, denk impulsief, kan in drie minuten een idee in elkaar zetten. Roels geest werkt gedegen, hij diept een idee tot de bodem uit. Ik ben op een bepaalde manier oppervlakkiger, maar gelukkig heb ik Roel om mijn eigen inhoud te verstevigen en van meerdere kanten te bekijken.

Wat zijn de meerdere kanten in de inhoud van De Krijtkring?
Helemaal aan het eind van het stuk moet een rechter besluiten van wie het kind uiteindelijk is: van de echte moeder, die het kind achterliet of van Groesje, die voor het kind heeft gezorgd. In dat dilemma komen ‘bezit’ en ‘zorg’ tegenover elkaar te staan. Dat is een pijnlijke kwestie als het over kinderen gaat. Het is tegelijkertijd een prachtige metafoor voor de aarde. Is de aarde van wie hem bezit of van wie ervoor zorgt?
De rechter die het eindoordeel moet vellen, is het personage Azdak, een corrupte, zuipende dorpsschrijver die in de waanzin van de oorlog tot rechter is benoemd en met zijn oordelen voortdurend het idee van ‘gerechtigheid’ op zijn kop zet. Daarmee stelt De Krijtkring een belangrijke vraag: wat is ‘gerechtigheid’ precies? We willen allemaal graag dat gerechtigheid een objectief criterium is, maar overal ter wereld zie je dat de rechtspraak maar al te vaak een instituut is dat de betekenis van het woord ‘gerechtigheid’ geen recht doet. In Amerika zijn rechters ‘progressief’ of ‘conservatief’, niet objectief dus; mensen worden onschuldig veroordeeld; als wetten niet menselijk zijn, is het niet rechtvaardig om de wet na te leven, maar dat gebeurt wel. Onze menselijke poging om ‘recht te spreken’ blijkt vaak onmogelijk. In De Krijtkring wordt de tijd dat Azdak rechter is getypeerd als de tijd van ‘bijna gerechtigheid’. Dat vind ik mooi. En dat klopt volgens mij ook. Het is een gegeven van onze menselijkheid dat we alleen maar kunnen streven naar ‘bijna gerechtigheid’. Wat doen we met de aarde en wat doen we met elkaar? Het is ons nog steeds niet gelukt om de puinhoop in de wereld op te lossen. Mij ook niet, terwijl ik dat wel dacht te kunnen toen ik jong was.

Kan theater die oplossing brengen?
Ik ben daarin bescheiden. Ik denk hooguit dat theater eraan kan bijdragen. Omdat theater ons recht in het hart kan raken. Mensen veranderen niet door informatie, door iets met hun verstand begrijpen. Mensen veranderen volgens mij alleen als ze echt worden geraakt. En daarvoor moet je mensen zien. Echt zien.
Echt kijken naar een ander lukt alleen als je ook naar jezelf kijkt en je realiseert dat jij het altijd bent die kijkt. Want ook jij bent niet objectief, net als die rechters. Iedereen heeft vooroordelen, bijvoorbeeld over hoe iemand eruitziet. Daarmee kunnen we elkaar, misschien ongewild, pijn doen. Want de manier waarop anderen je zien, kan de manier waarop je jezelf ziet veranderen. Dan word je in een hoek gedreven en terug gestopt in jezelf. En daar kan je heel agressief van worden.
Toen ik in Kaapstad werkte, werd er tegen me gezegd dat ik op straat anderen niet mocht aankijken, omdat dat gevaarlijk was. Ik keek dus naar de grond en daar werd ik doodsbang van. Dat was fascinerend. Ik realiseerde me dat als jij zelf echt naar een ander kijkt, die ander jou ook echt ziet. Maar dat is verschrikkelijk moeilijk, omdat je eigen oordeel vaak onbewust enorm aanwezig is. Daarom is het zo belangrijk om af en toe op de plek van de ander te gaan staan en van daaruit te kijken. Dan kan je elkaar emotioneel raken en wellicht veranderen.

Hoe heb jij leren kijken?
Ik kijk al tweeënveertig jaar naar mensen, zo’n zeven maanden per jaar, 5 à 6 uur per dag. Mijn vak ís kijken. Ik heb veel geleerd over kijken toen ik de schilderijen van Mark Rotho zag. Zijn schilderijen hebben mij uitgenodigd om stil te staan, alles te laten vallen, me open te stellen en een half uur lang alleen maar te kijken en me pas daarna af te vragen wat er met mij gebeurt. Eerst liep ik langs zijn schilderijen. Ik zag kleurvlakken, meer niet. Pas toen ik de tijd nam en echt keek, begon ik meer te zien. Eigen associaties, maar ook de zwaarte die aan hem trok en de behoefte om zichzelf daaruit los te maken. Zijn schilderijen bestaan uit wel twintig lagen over elkaar heen en als je de tijd neemt, dan zie je al die lagen. Dat is een mens: een wezen waar twintig lagen onder zitten. En die mens wil gezien worden, met al zijn twintig lagen. Dat is onmogelijk. Dat lukt alleen ‘bijna’.
Het mooie aan mijn vak, is dat het kijken altijd in een driehoek gebeurt: ik zie spelers iets doen, ik zie en hoor de tekst en ik zie mezelf. Soms klopt het niet wat de spelers doen, soms zijn de woorden van de tekst stroef en soms ben ik met mezelf in gevecht. Ik hou van dat gerommel, want er komt altijd - soms totaal onverwacht - een moment waarop het er is. En het mooie is dat dat altijd een gedeeld moment is. Spelers, toeschouwers, schrijver, techniek, ik; allemaal weten we op zo’n moment: het klopt, het communiceert.